FILOSOFIE
De filosofie en vooral de oude Griekse filosofie beweegt zich tussen enerzijds het dogmatische kerkelijke geloven en anderzijds het koele denken van de wetenschap. ¹)
Beide richtingen zijn meer aan elkaar gelijk dan ze zelf zouden willen toegeven, want hoewel ze enerzijds elkaars tegenstanders zijn, zijn hun beider methode op veel punten gelijk. De eigen ideeën worden als de hoogste wijsheid naar voren gebracht en tegengestelde gedachten of meningen worden genegeerd of bestreden.
De wetenschap staat sterk -meent ze - want zij stelt iets proefondervindelijk vast, zet deze gegevens uit in statistieken, verzorgt de nodige verslagen en rapporten, schrijft wetenschappelijke artikelen en stelt vast dat het de waarheid is.
De kerk drijft op vooroordelen, emoties, geloven en materieel uitgelegde mythen en verhalen, doch zij is meestal even stellig in haar beweringen.
De wetenschapper vertrouwt dikwijls alleen op zijn hoofd en de gelovige laat liever zijn hart spreken.
De ruimte, het niemandsland, tussen deze dogmatische gelovigen en rechtlijnige denkers wordt opgevuld door enerzijds filosofische dromers en anderzijds door pseudo wetenschappers. Deze laatsten gebruiken hoofd noch hart, maar gaan enkel af op hun zintuigen en de verworven schoolwijsheid. Als een object niet duidelijk tastbaar, aanraakbaar en materieel bewijsbaar is, bestaat het voor hen niet.
Waar de filosoof zich verpoost bij de rijke mogelijkheden van zijn geestelijke blikveld, daar maakt de pseudo wetenschapper de kosmos net zo groot of klein als zijn eigen zintuigen en God wordt voor hem derhalve een onbestaanbare werkelijkheid.
De gelovige volgt de stem van zijn hart, de geleerde volgt zijn verstand, de schoolse wetenschapper gaat af op zijn zintuigen, maar de filosoof brengt hoofd en hart bijeen en stelt zich open voor een hoger inzicht. Wanneer tenslotte bij de filosoof gevoelens, zintuigen en verstand gelijkgericht zijn kan wijsheid ontstaan.
Verder op het levenspad kunnen hoofd en hart elkaar ontmoeten en als deze twee samen verder gaan, als we het mogen meemaken dat wetenschap en godsdienst elkaar in het niemandsland van de filosoof ontmoeten, kan er zelfs religie ontstaan.
Religie is een halte verder dan godsdienst, maar evenzeer de overtreffende trap van de wetenschap.
De wetenschapper kan alleen in rechte lijnen denken, maar de filosofische onderzoeker ontdekt de cirkels van de evolutie, zoals hij ook ontdekt, dat in wezen alle godsdiensten gelijk zijn aan elkaar. Hij ontdekt dat de evolutie zich spiraalsgewijs voltrekt en hij ontdekt dat godsdiensten zich alleen met de emotionele kant van het leven bezighouden.
Religie is een persoonlijke beleving. Er ontstaat een verbinding tussen hoofd en hart, tussen lichaam en ziel. Als geloven en weten, als kerk en wetenschap hun harnas uittrekken en elkaar ontmoeten in het huis van de filosoof, veranderen geloven en kennis in Wijsheid. Dit "weten" is religie.
Religie is het vertrouwen van de filosoof, de eenling, het individu; het is zijn persoonlijke kennis en wijsheid, het is zijn individuele inzicht in de materie, daar hoeft niemand hem in te volgen. Religie is voor velen een ongrijpbare wijsheid, voor sommigen misschien zelfs niet te begrijpen, want zij is alleen langs het innerlijke pad van de filosoof te bereiken.
Religie komt van het Latijnse religare dat –binden - verbinden –samenbinden - betekent. Het is het totale alleen zijn, het van iedereen verlaten zijn. Zij heeft echter ook geen anderen nodig, het is een puur persoonlijke ervaring. In eenzaamheid en afzondering kun je religieus worden, daar dien je rijp voor te zijn, daar moet je dapper voor zijn.
Religieus zijn is het vermogen om alleen te durven zijn met al je angsten en zorgen en soms ook het alleenzijn met je verdriet. Religieus zijn wil zeggen dat je tenslotte hoofd en hart en hand op één lijn hebt gekregen en daardoor de moed hebt ontvangen de werkelijke werkelijkheid onder ogen te zien.
Geleidelijk zullen we allen ontdekken dat we de weg alleen moeten gaan, de reis naar binnen, naar het hoogste bewustzijn. Het zoeken naar de eigen waarheid. Innerlijke waarheid is immers de kennis van de eigen ziel.
De huidige grote westerse godsdiensten kunnen redelijkerwijs dan ook op geen enkele wijze met religie in verband gebracht worden.
OOST EN WEST
Baghwan Shree Rajneesh vertelt in zijn boek "Het mosterdzaad" over een inspecteur van onderwijs, die een bezoek bracht aan een multiraciale school in India. Leerlingen uit allerlei landen en van verschillende huidskleur waren in een klasse lokaal bijeen en de klasse leraar sprak met de kinderen over het scheppingsverhaal.
De inspecteur van het onderwijs bracht die dag een bezoek aan de school en had een tijdje meegeluisterd en toegekeken, maar kon zich op zeker moment toch niet meer inhouden en hij vroeg aan een meisje: "Weet jij wie de eerste mensen op aarde waren?" "Adam en Eva mijnheer" antwoordde ze direct. "Goed zo" sprak de inspecteur, "maar weet je ook welke nationaliteit ze hadden?" "Ja mijnheer, het waren Indiërs" zei het meisje. De inspecteur was verbluft en vroeg "en waarom denk je dat ze de Indische nationaliteit hadden?" Het meisje zei: "Dat kan haast niet anders mijnheer, want ze hadden samen maar één appel, ze hadden geen huis en ze hadden geen kleren aan en toch dachten ze dat ze in het paradijs waren. Dat kan alleen in India"
Ja, dat kan alleen in India. Sommige boeddhisten kunnen met een halve appel nog heel gelukkig zijn. Een christen echter leeft gejaagd, ongeduldig, hij heeft altijd haast. Hij moet het allemaal nú waarmaken, want hij denkt dat hij maar één leven krijgt waarin het allemaal moet gebeuren. Als we het, als christen, nu in dit leven allemaal waar moeten maken, kunnen we niet echt gelukkig zijn in het aardse paradijs.
Het westen komt, door te veel ijver aangespoord, niet aan zichzelf toe, maar is nagenoeg alleen met de buitenkant van het bestaan bezig. Natuurlijk is dit ook een deel van het geheel, de buitenkant hoort er ook bij, maar het is niet het enige wat ons bezig zou moeten houden. Wie echter zijn hele leven met al zijn zintuigen en zijn verstand achter -het meer en het groter - aanjaagt, wie alles in de strijd gooit om materieel te overwinnen, zal tot zijn schade moeten ervaren dat dit niet de soort arbeid is dat hem kan volgen op zijn universele levensweg.
Een halve appel kan ons niet tevreden stellen, daar is meer voor nodig. Veel westerse christenen gedragen zich dan ook als goudzoekers, ze zoeken een methode om snel rijk te worden. Materieel rijk welteverstaan.
Als we echter rustig mee willen deinen op het ritme van het Heelal, als we ons aan willen passen aan het Universum en de cirkelgang der getijden aanvaarden, daalt er vrede in ons hart. Wanneer we zowel buiten als binnen tot wasdom komen, ontstaat eenheid. Daartoe moeten we onszelf niet langer opjagen, niet zo geforceerd en opgefokt naar méér en groter streven, maar gaan leven in het nu. Zij die hun leven aanpassen aan het ritme van het heelal ontvangen energie uit hogere werelden en voor hen is leven in het paradijs geen toekomstmuziek, maar is het hier en nu op aarde al een werkelijkheid geworden.
Voor hen wordt het leven een pelgrimstocht waar allen samen één heilig doel dienen en waar eenheid van leven is. Deze bijna utopische ervaringswereld ligt voor ons open en toch kunnen we morgen weer gewoon aan de slag, want we dienen wel te werken voor ons dagelijks brood.
Het westen, waar wij wonen, is bijna geheel extravert, het is naar buiten gericht, via onze zintuigen richten we onze aandacht op de ruimte om ons heen. We doen op een grootscheepse manier aan ruimteonderzoek, maar de zeebodem kennen we nog niet. In de buitenwereld zijn we steeds op zoek naar nieuwe feiten, maar aan ons innerlijk besteden we nauwelijks aandacht. "De Schepper” is voor ons mijlenver weg in de hemel en deze hemel is ergens op een flinke afstand in de ruimte, dat is wel een veilige gedachte.
Het oosten is meer introvert, naar binnen gericht. Daar in het eigen innerlijk, diep in het eigen zijn, leeft de oosterse "god". De oosterse mens leeft meer in zichzelf, daardoor loopt zijn materiële voorspoed achter bij die van de westerling. Het oosten weet dat zijn god en de hemel in zijn innerlijk een plaats hebben gevonden, maar hij heeft nog problemen met het vinden. Toch ligt hij voor op de westerling die nog niet weet waar hij behoort te zoeken.
De verder gevorderde mens, de bewust geworden mens, weet echter heel goed dat het Leven en het Licht, zowel in, als buiten ons bestaat. ²)
Bewustwording vraagt een ander zicht op ons eigen bestaan en we moeten af van de duale gedachte: -buiten of binnen - van Oost en West, we moeten groeien naar de analoge gedachte -buiten én binnen. Dat is eenheid.
Daarom moet de westerling op zoek naar het Licht dat schijnt in zijn eigen innerlijk en de oosterling moet zijn ogen openen voor het Licht dat buiten straalt.
Doordat het westen zo naar buitengericht heeft geleefd hebben we een grote innerlijke armoede bewerkstelligd. De naar binnen gerichte blik van de oosterling bracht hem maar weinig materiële welvaart. Deze twee samenvoegen brengt de mens op het pad des levens. Leven is een verbinding leggen tussen geest en materie. Bewust leven is geest en materie, buiten en binnen, samen laten werken. Bewust leven is één zijn, niet hier een stukje geest en daar een brok materie, niet nu en dan een uurtje in de kerk en daarna weer een hele week in de harde zakenwereld, maar materie doordrongen van de geest, en geest verbonden met de stof. Beide delen behoren elkaar te doordringen, elkaar op te nemen en samen een eenheid te vormen. De westerse mens dient daartoe meer filosofisch te leven en zich meer naar binnen te keren, hij moet het eigen innerlijk gaan verkennen en in het oosten moet men zich meer richten op kennis en wetenschap, zoals wij onze hoop vestigen op meditatie en inkeer.
Pas wanneer het de filosoof is gelukt bij zichzelf deze twee krachten min of meer met elkaar in evenwicht te brengen, als lichaam, ziel en geest als een eenheid fungeren, kan hij zich een bewust levend mens noemen. Omgekeerd kan de mens die zijn levensdoel heeft benaderd zich een filosoof noemen. Voor hem is er nóg maar een werkelijkheid en dat is, dat er in de wereld om hem heen, altijd twee realiteiten zijn. Hij weet dat -in de wereld om hem heen -alles een binnen -en een buitenkant heeft, een stoffelijk en een geestelijk image en hij zal alle omstandigheden aan deze twee grootheden dienen te toetsen.
Iedere samenleving kent grootschalig dezelfde problemen als die welke haar individuele burgers op persoonlijk niveau ervaren en wanneer het westen niet tot inkeer kan komen en het oosten geen uitzicht ontvangt, zal de wereld der mensen steeds verder op het huidige pad voortgaan. Dat is het pad van tegenstellingen en onbegrip, van verdeeldheid inplaats van eenheid, van angst inplaats van vertrouwen, van geloof en vooroordeel in plaats van religie, en van kennis in plaats van wijsheid.
¹) Bij filosofie denk ik aan wijsbegeerte cq wijsgerige bespiegelingen en niet aan de lessen van filosofie leraren van het middelbare of hogere onderwijs. Zij komen meestal niet veel verder dan een materiële uitleg van het causale fenomeen oorzaak en gevolg. ²)De Immanente en de Transcendente Geest vormen geen tegenstelling aan elkaar, maar zijn steeds wisselende en elkaar aanvullende grootheden.
Index